Na een vreselijk weekeinde, waarin ik mij heb afgevraagd wat de juiste onderwerpkeuze zou zijn voor deze wekelijkse blog, kies ik voor de gemakkelijke oplossing. Dat is het afmaken van mijn (eerste) bucketlistreis. Zo dien ik ook nog een goed doel: ik kom mijn afspraak na dat die afronding voor deze zomer, die in real life nog amper is begonnen, zou plaatsvinden. Toe dan maar.
Inspiratie, heel veel leren en ervaringen die je je leven niet meer vergeet. Laat ik nog een keer teruggaan naar Busan, Zuid-Korea. Omdat we daar toch maar even waren, ik leek wel een Amerikaanse toerist die Europa ‘doet’, had ik me aangemeld voor een propvolle excursie met daarin zoveel mogelijk historische bezienswaardigheden. Nou, dat heb ik geweten.
Onvoorbereid, bijna naïef stapte ik door de formeel zwaarbeveiligde, ceremoniële toegangspoort van het United Nations Memorial Cemetery. Ik had me zoals gebruikelijk snel losgemaakt van de groep – nee, ik ben wel fatsoenlijk, maar geen gezellig gezelschap in zo’n gezelschap – en heb dus de introductievideo in alle rust kunnen bekijken. En toen kwam het kippenvel op, de opwellende tranen heb ik bewaard voor mijn bezoek aan het Nederlandse ereveld. Jawel, staande onder het rood, wit en blauw, en uitkijkend over de graven van 117 landgenoten, vooral Utrechters. Pas toen begreep ik het verhaal van de Utrechter ome Jan. Ik citeer maar even uit Wikipedia:
In 1950 werd het administratieve Regiment van Heutsz opgericht als de Nederlandse inbreng van infanterietroepen tijdens de Koreaanse Oorlog. De eenheid nam aan diverse gevechtsacties deel. Bij wijze van rust kreeg de eenheid na de acties zijn eerste bewakingstaak; de bewaking van krijgsgevangen Noord-Koreaanse militairen. Hierna werd weer aan gevechtsacties deelgenomen waarbij de eenheid opviel door zijn onverschrokkenheid.
Dat waren dus allemaal zijn vrienden. Van school, uit de buurt en als collega. Hoeveel van die 117 heeft hij onder zijn handen zien sterven? Heeft hij eroverheen moeten stappen? Ome Jan, die zelf nooit meer tot leven is gekomen. Geen wonder, dat bier, die sigaretten en die eenzaamheid. Maar om daar pas staande op dat ereveld in Zuid-Korea eensklaps op die manier aan te moeten terugdenken, ja, dat deed wat met me. En maak “wat” gerust wat groter. Het heeft minuten geduurd, en gelukkig stond ik daar alleen. Van zeurpiet, alcoholist en ruziemaker tot held. Mijn held, om uiteenlopende redenen.
Iets leuks alsjeblieft. OK, we steken over naar Taiwan. Waar ik in een andere grote havenstad, Keelung, vrienden voor het leven heb gemaakt. Omdat ‘mijn’ schip nog tot middernacht aan de wal lag, was ik (gek, of liever gezegd veelzeggend genoeg) één van de weinige gasten – ik vermoed zelfs de enige – die die avond in de stad wilde gaan eten. De beroemde avondmarkt bezoeken, met eettentjes all over the place. Het was allemaal vlakbij. Maar ik had geen Taiwanese dollars, je zal wel ergens kunnen pinnen. Maar niets van dat alles. Wel heel veel eten, nog veel meer gezellige drukte, een overdaad aan kleuren en geuren maar zonder ATM op de hoek. En betalen met je creditcard ho maar. Cash, overal cash.
Op een gegeven moment stond ik, hongerig als ik was, kennelijk wat beteuterd te kijken naar al die lekkernijen die deur aan deur werden gewokt, maar die ik niet kon kopen. Een leuke, jonge vrouw stond plotseling naast me en vroeg me wat er aan de hand was. Ik legde uit dat ik ergens een ATM zocht, want ik wilde wel wat van al dat lekkers proeven. Ze vroeg me in bijna perfect Engels waar ik trek in had. Ik wees naar de dichtstbijzijnde wokpan, waar het lekkerste vlees met kruiden en sauzen werd bereid. OK, zei ze, en welke groenten wil je er bij hebben? Eh, hoezo, wat bedoel je? Ik wil niet dat jij mijn eten gaat betalen, ben al heel gelukkig als je wat geld zou kunnen wisselen… Maar ze hield aan, ik mocht het zeggen.
De kok werd aan het werk gezet en ze nodigde me uit aan haar formicatafeltje, waar ook haar vriend had plaatsgenomen. Jessie en March. We hebben met z’n drieën buiten-gewoon zitten eten en de wereld besproken. Het ging ook over opleiding, ambitie en carrière. Ze wilden zoveel, en waren erg optimistisch. Vrolijk, geïnteresseerd. Behoefte aan informatie uit het westen, waar ze zichzelf zeker ook als ‘westers’ zagen. Trots op hun land. Het was mooi en (h)eerlijk, op ieder gebied. Later nam March me nog mee naar een andere tent in de straat, waar ik de Taiwanese Bubble Tea moest proberen. Op mijn vraag waar ik dat allemaal aan te danken had, zeiden ze als uit één mond: “Welcome to Taiwan!” “Dit is onze manier om te zeggen dat we blij zijn met je bezoek. Dat je wilt kennismaken met ons land en onze stad, en geïnteresseerd bent in ons, de mensen.”
Die Jessie en March komen er wel. Nu nog heel hard hopen dat ze daarvoor de tijd krijgen.
Teruglopend naar het schip, dat ik een stuk verderop in bescheiden pastelkleurige verlichting zag wachten, vroeg ik me opnieuw af waar aan de andere kant van de wereld al die gulle gastvrijheid en vriendelijkheid toch is gebleven.

