Waar ik oorspronkelijk had bedacht dat ik Krakau letterlijk en figuurlijk links zou laten liggen, ben ik achteraf blij en gelukkig dat ik dat niet heb gedaan. Wat me tegenhield? Overduidelijk de toeristisch drukste stad van het land. Als ik alleen al denk aan bussen met mensen, aan gidsen met hun omhooggestoken parapluutjes en zo, aan in lange rijen staan om op je beurt te wachten en – last but not least – toeristen die maar tegen je aan stoten in de drukte overal, dan hoef ik niet meer.
Redelijk snel in het nieuwe jaar vertrek ik voor een maand naar India. Dat heb ik wel zelf uitgezocht, maar alle reserveringen en een goed advies over hotels en zo laat ik voor dat soort continenten toch graag aan een specialist over. Dan vraag ik ook altijd naar aanvullingen op mijn (eigen) programma. Echt, ik laat me op alle gebieden heel graag adviseren door mensen die er meer verstand van hebben dan ik. Die respecteer ik buitengewoon. Toen ik met mijn programmaatje bij de drie geselecteerde reisorganisaties aankwam, moest ik om te beginnen uitleggen waarom ik de Taj Mahal niet had opgenomen. Nou, daarom dus. Het is uiteindelijk een mevrouw geworden die het heel verrassend en werkelijk uitdagend vond, om dit keer nu eens niet een al honderden keren voorgekookte reis in en door Rajasthan op papier te zetten. Trouwens, ik ben zelfs een club tegengekomen bij wie je, als je met hun – ook op individuele basis – naar India wilt, nota bene de Taj Mahal überhaupt niet kunt ontlopen. Het is letterlijk een must. Maar daarover later meer.
Tussen het Nationale Park van Bialowieza en Krakau zitten een paar dagen langs de oostgrenzen van Polen. Met kleinere steden en dorpen waar ik nooit zou willen wonen en leven.
Met opmerkelijk vriendelijke mensen als je contact weet te maken, alhoewel ze zelden Engels spreken of zelfs ook maar een woord verstaan. Ook kijk je daar het ongeluk, de kleurloze armoe en bittere gelatenheid in het gezicht. Ik ben er van geschrokken.
Heb bijvoorbeeld nog nooit zoveel (vooral jonge) vapende mensen bij elkaar gezien. En ze zien er al zo slecht uit, verdorie! Spierwit en vaal, bijna doorzichtig; allemaal slechtgekleed. Een goed restaurant ben ik ook al bijna niet tegengekomen. Crisis en depressie zijn daar nooit ver weg.
Toen ik het daar met iemand hier in Nederland over had, vroeg ze mij of ik dat nou echt zo verrassend vond. “Die zitten enkele tientallen kilometers af van de oorlog. Ze worden trouwens al generaties lang existentieel bedreigd. Dat doet wel iets me je, hoor.” Ze heeft gelijk, dus laten we maar naar Krakau gaan. Maar toch. Ze zijn toch ook Europeaan, net als wij. Polen is een gewaardeerd lid van de EU en NAVO. Ze hebben de vrijheid om te gaan en te staan waar ze willen. Het is koren op mijn molen, dat van dat veelgehoorde ‘Eén Europa!’ nooit sprake is geweest en ook nooit zal zijn. We bestaan op vele uiteenlopende gebieden uit soms zeer verschillende volkeren. Door dat te respecteren boek je meer winst dan die grote gelijkschakeling (die überhaupt toch niet werkt). Dat is één van de vele lessen die ik al rondtrekkend in mijn Rocinantes (III en IV) heb geleerd.

Maar ik heb er absoluut geen spijt van gekregen. Krakau. Het is uitgelopen op een hoogtepunt van mijn reis. Nee, niet de fabriek van Oskar Schindler, waarover ik hier al even heb geschreven, noch enkele andere als toeristische hotspot geduide bezienswaardigheden. Die heb ik dus welbewust overgeslagen. Het internet is geduldig. Maar vooral de oude, voormalig Joodse wijk Kazimierz heeft een diepe indruk op mij achtergelaten. Hoe is het mogelijk dat je je dermate in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw waant, al wandelend door straten en over pleinen, groot en piepklein. Dat is een belevenis. Ieder gebouw, ieder huisnummer heeft wel een verhaal. Kijk ook eens naar die paar foto’s die ik net op Flickr heb gezet.
En dan is er natuurlijk de Krakus Mound, oftewel de Grafheuvel van Krakus. Ben ik bijna een halve dag geweest, met een lange wandeling rondom de enorme kalksteengroeve (de Liban Quarry) die de nazi’s als werkkamp hebben gebruikt, naast het bijbehorende concentratiekamp Plaszov. Er is trouwens weinig meer van over. De Duitse bezetter heeft het vernietigd en de laatste gevangenen naar Auschwitz gestuurd, om daar evenzeer te worden vernietigd.
Steven Spielberg heeft de groeve intensief gebruikt in zijn film Schindler’s List (1993). Nu was het een wat regenachtige, sombere herfstmiddag. Volledig passend bij de rest van de sfeer. Ik was er alleen, alweer. Hoewel overgroeid door onkruid, een rijzend bos en in sterk vervallen staat, hebben mijn hond en ik de nodige onderdelen en ‘settings’ uit de film kunnen terugvinden. Zoals de houten trap die naar de bodem van de groeve voert, en die hij van mij niet op mocht. Te gevaarlijk. Vlak voor vertrek naar Nederland. Enkele dagen later kon ik hem wijzen op diezelfde trap in dezelfde film, die in mijn top-5 staat. Maar of hij dat heeft begrepen?
Wat maakt het ook uit. Ook zijn baasje begrijpt er nog altijd niets van.
