Vanavond (maandag) na het avondeten, toetje op tafel, via NPO Start even gekeken naar wat in eerste instantie voor mij zomaar een aflevering van Andere Tijden was. “Korea – de oorlog die nooit eindigde.” Andere Tijden is een mooi format, maar ik betrap me er op dat ik te weinig kijk. Dit keer had ik wel wat extra aandacht, dus het was eerlijk gezegd niet helemaal “zomaar” weer zo’n aflevering. Aan de andere kant, langzamerhand kom je op een leeftijd dat andere tijden steeds herkenbaarder worden. Omdat ze er niet meer zijn. Dat geldt ook voor mijn ome Jan.
Hij was niet echt mijn oom, maar wel die van Milia. Maar hij heeft een bepalende rol in mijn leven gespeeld. Als stamgast van het café-restaurant van mijn vader, die zoiets als een haat-liefde relatie had met Jan, vertelde de man al rond de kerstdagen van ik denk 1971, dat in de komende zomer zijn ‘nichtjes’ weer op bezoek kwamen. Tienertoer, van de NS. Milia als echt nichtje, en een vriendin van haar. Logeren in de grote stad bij ome Jan en tante Lies, die overigens ook al niet meer onder ons is. “Dat is interessant voor die zoon van jou!”, zo voegde hij er aan toe. Maar Jan voegde er van alles aan toe, hij had overal wel een mening over. En verkondigde die te pas en als het wat later werd ook weleens te onpas. Want hij zat bijna hele dagen aan de bar. Op zijn eigen barkruk. Ik zie hem nu nog zo zitten, niet alleen met een vol glas tapbier voor zich, maar ook met die eeuwige sigaret in zijn hand waardoor een paar vingers lichtgeel waren uitgeslagen. Niets veranderde. Arriveerde rond de lunch, en vertrok weer rond een uur of zeven.
HIJ GAAT ER AAN STERVEN!
We begrepen hem niet, zo herinner ik me uit die tijd. Hij dronk altijd bier, alleen maar bier. Tientallen glazen, zonder iets te eten. Maar hij werd niet dronken. Jan hoorde op een gegeven moment bij de inventaris. Deed geen vlieg kwaad en door zijn luid verkondigde mening in oneliners, kon je ook wel met hem lachen. Behalve die keer dat mijn vader vanwege een maagzweer in het ziekenhuis was opgenomen. Jan wist wel hoe dat zou aflopen. “Hij gaat er aan sterven, je vader overleeft dat niet.” Paf, recht voor je raap. Gelukkig is hij weer heelhuids uit het ziekenhuis teruggekeerd, maar ook dat is wel blijven hangen. Jan.
Je voelt hem al aankomen. Ik ben die nieuwe zomer met Milia en haar vriendinnetje naar Rotterdam gegaan, en heb die twee meiden de hele stad – mijn stad – laten zien. Van hoog op de Euromast tot diep in de metro. Een jaar of wat geleden kwam ik bij het opruimen van het familiearchief nog een prentbriefkaart tegen met Groeten uit Rotterdam, door Milia in die tijd geschreven en verstuurd aan haar ouders. Ze had het “enig” gevonden, zo staat er te lezen. Goud, maar dat schrijf ik er nu bij. Wat een bezit, zo’n kaartje met op de andere zijde fotootjes van de Lijnbaan, het stadhuis en de spuitende fonteinen op het Hofplein. Een paar jaar later zijn we getrouwd. Jan had wel gelijk gehad, met dat nichtje van hem.
Zo kwamen ome Jan en tante Lies later nog weleens bij Milia en mij op bezoek. Soms, of misschien zelfs wel altijd, zo terugkijkend, kreeg ik dan woorden met Jan. Over politiek, over Amerika, over werk en zelfs over hondenbrokken. Ik moest Jan maar met rust laten. Ik begreep het niet, zo werd me te verstaan gegeven. We gingen verhuizen, trokken letterlijk en figuurlijk verder. De contacten met Jan en Lies verwaterden.
Totdat ik in 1989 een briefje van 25 gulden van Milia kreeg overhandigd. Dat was haar in haar handen gedrukt toen ze die dag met de kinderen bij oom en tante even op bezoek was geweest. Toen Jan hoorde dat ik voor mijzelf ging beginnen, had hij dat spontaan uit zijn portemonnee gehaald. Jan.

Nog veel later, na het overlijden van Jan, kwamen er op bezoek bij tante Lies een paar verhalen op tafel. Ik moest er aan denken toen ik de vrouw van een Korea-veteraan in de special van Andere Tijden hoorde vertellen “dat het het beste is om er niet over te praten”. Ik wist er wel wat van, maar heel weinig. Jan had in Korea gevochten, en sinds die tijd was Jan Jan geworden zoals we hem hadden leren kennen, Milia en ik. Bier, roken, “het ritme met zijn dagelijkse bezoeken aan de zaak van je vader”. Alleen. Altijd alleen. En met een hart van goud. Maar Jan kon verder niks meer. Lies zorgde naast zijn uitkering voor wat aanvullende inkomsten uit een winkeltje, dat mede met behulp van een financiële bijdrage van Prins Bernhard (in persoon) kon worden gestart. Hoe dat dan zat? Jan had hem een brief gestuurd met zijn verhaal. En even later stond dat bedrag op zijn rekening. Zonder verder iets, geen briefje erbij of wat dan ook. Aldus Lies.
Ik geloof haar. En achteraf begrijp ik Jan. Korea – de oorlog die nooit eindigde.
NB Onderstaande videoclip betreft niet de speciale uitzending die ik vanavond heb gezien, maar is een korte introductie van een Andere Tijden uit 2000: Korea, na vijftig jaar de vergeten oorlog.

Hoi Ton, een mooi stukje over familie, iets dat ook ik nog niet wist.
LikeLike